Wen nooit aan vreemdgaan

Het laatste jaar bereikte mij een dozijn verhalen over christenen die verliefd werden op iemand anders dan hun eigen partner. Na rondvraag in mijn vrienden- en kennissenkring stapelen de verhalen zich op en groeit mijn ongerustheid. Wat is hier aan de hand?

Het echtscheidingspercentage in Nederland is meer dan 36 procent. Daar zijn samenwonende stellen die uit elkaar gaan niet eens in meegerekend. Dat echtscheiding onder christenen net zo veel voorkomt als onder niet-christenen is geen wereldschokkend nieuws. Christenen zijn net mensen. Waarom dan reden tot extra bezorgdheid?

Verliefd worden is één van de meest wonderlijke ervaringen die we als mens kunnen hebben. De bijna waanzinnige obsessie voor de ander, verminderde eetlust, allesoverheersende passie. Verliefdheid is ongewenst als je een vaste partner hebt, of als de persoon waar je gevoelens voor koestert al met iemand anders is verbonden. Ik ben inmiddels vier jaar getrouwd en heb mijn man trouw beloofd met de intentie géén gevoelens voor een ander te ontwikkelen.

Vaste relatie
Maar we weten – ik spreek uit ervaring – dat verliefdheid op een ander ook tijdens een vaste relatie kan ontstaan. Wat we met ontluikende gevoelens doen, is aan ons. De keuzes die we op dat moment maken zijn cruciaal. Verliefdheid groeit alleen als wij daar toestemming voor geven. De verantwoordelijkheid ligt volledig bij onszelf.

Een huwelijk kan in een sleur raken, een van beide partners gaat door een midlifecrisis of de liefde bekoelt. Verlies van een kind of ernstige financiële problemen kunnen partners uit elkaar drijven. Huiselijk geweld en seksueel misbruik maken gezinnen kapot. Relatietherapie of pastorale zorg ten spijt, niet alle relaties zijn te redden. Dat is de realiteit in deze gebroken wereld.

Geluk en vrijheid
Maar dat zijn niet de verhalen die ik hoor. De verhalen die ik hoor, gaan over een zoektocht naar geluk en vrijheid. Geen weerstand kunnen bieden, het overkomt hen. Ze houden nu eenmaal van die ander. En de vaste partner geeft hen niet wat ze nodig hebben. Past het een christen om deze egoïstische redenen te gebruiken om dit gedrag goed te praten?

Zijn wij niet diegenen die leren dat geluk niet ons eerste levensdoel is? Dat de liefde zichzelf niet zoekt? Wij christenen staan toch bekend om onze theoretisch hoogstaande huwelijksmoraal? We prediken en schrijven er al honderden jaren over. Wij staan toch voor normen en waarden? Voor het gezin als hoeksteen van de samenleving? Wij wijzen toch vaak met een moraliserende vinger naar vrije seks en losvaste relaties in de ‘wereld’.

Vraag eens rond in uw sociale kring; hoe ziet de praktijk er uit? Als wij niet meer gelukkig zijn, lijkt het gras aan de overkant ook groener. Dan blijkt onze belofte van trouw niet meer dan een toezegging op een romantisch moment.

Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat we inmiddels opvallend fatalistisch zijn geworden, wanneer het om vreemdgaan en echtscheiding gaat. We zijn even geschokt, roddelen erover en keuren het ‘overspelige’ gedrag af. Maar al snel volgen mildere woorden. ‘Het is zijn leven. Als hij daar vrede mee heeft. Ze is gelukkig met hem. Wie ben ik om daar een oordeel over te hebben?’

We durven het al helemaal niet aan om met de persoon in kwestie een oprecht en eerlijk gesprek te voeren of hulp aan te bieden. ‘Ben ik mijn broeders hoeder?’ Deze laconieke houding lijkt op de onverschilligheid en de doorgeslagen tolerantie die we in onze samenleving terugzien. ‘Bemoei je met je eigen zaken’ en ‘Zolang ik er geen last van heb, maakt het me niet uit wat je doet’.

We belanden op een glijdende schaal. Vreemdgaan met een relatiebreuk als gevolg is geen privéaangelegenheid. Het raakt en verandert onze kinderen en onze samenleving ingrijpend. Zijn we hier te lichtvoetig over gaan denken?

Prille gevoelens
We zouden onszelf enkele vragen moeten stellen. Wennen we als christenen aan echtscheiding? Wennen we aan vreemdgaan? Wat zegt dit over onze naastenliefde en ons waardebesef? En als we zelf een vaste relatie hebben of getrouwd zijn, praten wij dan met onze partner over prille gevoelens voor een ander? Nemen we maatregelen? Gaan we terug naar de kerk waar we onze ringen wisselden en vragen we om hulp?

Sommigen reageren smalend op mijn bezorgdheid: ‘Ach, je bent nog maar vier jaar getrouwd, wacht maar.’ Stuitend. Laten we dit nóóit tegen jonggetrouwde koppels zeggen, maar hen des te meer aanmoedigen om de trouwbelofte te léven. Laten we nooit wennen aan vreemdgaan en echtscheiding.

Mijn opiniestuk staat vandaag in het Nederlands Dagblad: http://www.nd.nl/artikelen/2012/augustus/02/wen-nooit-aan-vreemdgaan